Geloven doe je met je hart


 

Jezus is drie jaar lang als een leraar (rabbi) en wonderdoener door het Joodse land getrokken. Maar waarom ging het in zijn leer, zijn boodschap?
Eigenlijk moet je zeggen, dat Jezus ons (als een echte profeet) wil terugvoeren naar het hart (de kern) van het Oude Testament. Het gaat niet om regeltjes en wetten, het gaat niet om hoe je je wel of niet in de tempel dient te gedragen. In Marcus 12, 29-31 vat Jezus het hele Oude Testament in twee zinnen samen: “God beminnen met heel je hart (heel je ziel, enz.) en van je naaste evenveel houden als van jezelf”. Jezus roept mensen op zich te bekeren (Marcus 1, 14-15), dat wil zeggen vanuit die grondregel van het geloof te gaan leven. Bekeren is dus een zaak van het hart, vanuit het diepst van je wezen kies je voor een andere koers in je leven.

 

Bekeren, tot geloof komen, begint met het aanvaarden van Jezus en betekent zijn weg willen volgen. Tot geloof komen is, anders gezegd, je hart openen.
Dat wordt heel treffend mooi uitgedrukt in het verhaal van de Emmaüsgangers (Lucas 24), op het moment dat Jezus uit het zicht is verdwenen zeggen ze tegen elkaar: “Brandde ons hart niet in ons, toen hij met ons sprak?” Hun hart kwam in vuur en vlam te staan, maar de vonk van herkenning sprong pas over bij het breken van het brood.

 

Een andere tekst vinden we in het evangelie van Lucas; het is de gelijkenis van het zaad. Daar (Lucas 8,15) staat: “Maar (het zaad) dat in goede grond terecht kwam, dat zijn de mensen die met een goed en oprecht hart geluisterd hebben naar het Woord van God en dat vasthouden en vrucht dragen”. 

 

Het gaat dus om mensen die hun hart geopend hebben, die er het Woord van God in vastgehouden hebben en die het vrucht hebben laten voortbrengen.
Tot geloof komen is dus volgens het evangelie:

 

- je hart openen voor de Blijde Boodschap)
- dat woord vasthouden (in je hart bewaren)
- het laten uitgroeien (het goede vruchten laten voortbrengen).

Ook in de verdere geschriften van het Nieuwe Testament komt dit terug. Zo bijvoorbeeld in Romeinen 10: “Als u met uw mond belijdt Jezus is de Heer en met uw hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, wordt u gered”.

In de jonge kerk gaat het om het geloven in Jezus maar ook om het uit durven komen (belijden) voor dat geloof.

 

Het hart komt ook ter sprake in de Eerste Brief van Johannes (3, 23) en die tekst is te mooi om hier niet te vermelden : “… wij moeten niet liefhebben met de mond, maar waarachtig, met daden. Dan kunnen we met een gerust hart voor God staan. En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart hij weet alles. Dit is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals hij ons heeft opgedragen”. Die opdracht is trouwens te vinden in het Johannesevangelie (14, 13-14).

 

En nog kernachtiger staat het in diezelfde Johannesbrief (4, 16): “Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem”. Zo wijst de liefde, die leeft in het hart van mensen, de mens een weg naar de kern van zichzelf, naar de ander en naar God.